Thee. Met aandacht, graag

Thee. Met aandacht, graag

Thee. Met aandacht, graag (column uit 2015)

“Waar je aandacht aan geeft, groeit.” Voor mijn opleiding volgde ik een training ‘Oplossingsgericht werken met kinderen’ en deze zin bleef mij bij.

 

De praktijk leert namelijk dat, als je met de beste bedoelingen een probleem aanpakt, dat ding de neiging heeft juist te groeien. Terwijl je die groei eerder gunt aan de sterke kanten van een kind in ontwikkeling.

 

“Je bent méér dan je probleem”, leerde ik ooit, toen ik er zelf nog aan moest wennen dat het nou eenmaal af en toe wat minder gaat in het leven.

 

Wat dan wél te doen? Kort samengevat: een gediagnosticeerd probleem dat – als een onhandige, logge leunstoel- behoorlijk in de weg staat, wordt symbolisch ergens tegen een muur geplaatst. Niet helemaal uit het zicht, maar ook niet hinderlijk in de weg.

 

Zo ontstaat uitzicht en ruimte voor het kind, dat beter blijkt te kunnen functioneren zonder dat probleem vlak voor zijn neus.

Het ziet vaak zelf hoe het verder moet – zoals dat van nature gaat in de ontwikkeling van kinderen. En dát krijgt dan alle aandacht.

 

Het bovenstaande kwam in me op toen ik het onderwerp van deze column ging bepalen.

Parijs?

Of iets anders, het leven gaat toch door?

 

Allebei maar. Want Parijs gaat toch met me mee, of ik dat wil of niet.

De bijbehorende boosheid, afschuw en angst zet ik langs de kant. Die gevoelens zijn er wel, maar niet vlak voor mijn neus. Ruimte scheppen, dan kan ik beter kijken.

 

Nu ik dat doe denk ik toch heel helder te zien dat de moordenaars van Parijs zich weliswaar verschuilen achter de Koran en legitimeren met een IS-paspoort, maar dat ze allemaal uit Frankrijk komen -ja, óók de Syrië-gangers.

Ik zie verwaarloosde kinderen van verwaarloosde ouders en grootouders in de banlieux, verwijderd uit het gezichtsveld van de Franse overheid en politici, en daarmee uit de samenleving.

 

Kijk, dát is nou een manier van met problemen omgaan die ik fout vind: verwaarlozing.

Ten eerste zijn mensen mensen en die behandel je niet als problemen die jou in de weg staan, maar als mensen: je blijft met oprechte aandacht communiceren.

Ten tweede: als je met iets of iemand moeilijkheden ondervindt, erken en benoem het dan, dát getuigt van moed.

Want het werkelijke probleem is toch dat Frankrijk decennia lang niet wist wat ze aan moest met immigranten?

Iets niet weten is niet verwijtbaar, maar wél dat je het niet onderkent en de boel laat versloffen.

 

Hoe zit het in Nederland?

Ook hier zijn Syriëgangers. Enkele van hen zijn zelfs bekeerlingen, zoon of dochter van hoogopgeleide ouders met een oer-Hollandse achternaam.

Geprivilegieerde kinderen in een seculiere westerse samenleving ontwikkelen zich tot godsdienstige moordenaars, wel iets om in de gaten te houden…

 

Maar goed: de wijken waar veel moslims wonen, hoe gaat het daarmee?

Sommige wijken in de grote steden kennen zo hun problemen, maar de politie kan er nog altijd komen en daarvan is in menige Parijse voorstad geen sprake meer, begrijp ik uit de verhalen.

 

Er wordt door een enkeling nogal smalend gedaan over de lopende contacten met eerste, tweede en derde generaties immigranten die moslim zijn: ‘Lodewijk Asscher drinkt thee in de moskee, wat een watje’.

Nou, ik vind het een prima begin.

 

Of je familie hier nou al eeuwen woont, of je immigrant bent of vluchteling: mensen hebben aandacht nodig. Dan groeit het vertrouwen in jezelf, in elkaar én in de overheid.

Laten burgemeesters, wijkagenten, wethouders, vrijwilligers, raadsleden, buurtwerkers, taalcoachen en bewoners vooral doorgaan met af en toe samen theeleuteren! Daar is niks softs aan. Je kunt -zo nodig- een harde noot kraken bij een goed gesprek.

 

Het gaat uiteindelijk om het welzijn van elk individu, maar als je zo in het belang van de samenleving de kans verkleint dat een kind zich ontwikkelt tot een volslagen gestoorde om zich heen schietende (zelf)moordenaar is dat mooi meegenomen.

 

De wijken in, Hollande, dat is moediger dan oorlog voeren.

 

Bon courage, Monsieur le Président!

 

 

 

De mens is slecht/goed

De mens is slecht/goed

De mens is slecht/goed (column uit 2015)

Er is een nieuwe film uit gebracht: The Stanford Prison Experiment. Ik ga niet.

Het onderwerp is de wetenschappelijke studie van Philip Zimbardo uit de jaren zeventig, naar (on)menselijk gedrag in gevangenissituaties. Ga ik niet lezen.

 

Het is niet dat ik mijn kop in het zand wil steken voor de duistere kanten van de mens. Integendeel. Maar dan wel graag in perspectief: de mens bezit hoofdzakelijk goede kanten.

 

De al dan niet bedoelde impact van zo’n experiment is vaak dat daarmee aangetoond lijkt dat de mens in wezen slecht is.

 

Nou, als dat zo was zou ik hier niet zitten schrijven. Want dan was ik allang verongelukt wegens asociaal verkeersgedrag van een onverschillige medemens. Of aan een ziekte overleden omdat er geen goede artsen zijn, alleen maar enge dronken medicijnmannen. Of dan was ik op mijn hoofd geslagen en beroofd door één van die slechteriken, van die luilakken die te beroerd zijn om voor hun hebzucht te werken en te betalen.

 

Dit zal allemaal als wetenschappelijk bewijs niet gelden, maar praktisch voldoet het voor mij wel: voor een wereld die bevolkt wordt door wezens met een gevaarlijk slechte inborst, gaat het toch wonderlijk goed, niet waar?

 

Daarom trek ik die vermeende slechtheid van de mens in twijfel.

Eigenlijk ben ík de realist: de mens is in wezen prima, want anders zou er niet zoveel gewoon goed lopen in de wereld. Daarvan krijg ik energie om zaken die wél mislopen met goede moed onder ogen te zien. En aan te pakken. Zo simpel is het.

 

Het nadeel van zo’n ‘slechte menstheorie’ is niet alleen dat je er moedeloos van wordt en dat de kwaliteit van je individuele leven er op achteruit gaat.

Ook de kwaliteit van de samenleving lijdt eronder. Als de slechtheid van de mens als net zo ‘natuurlijk’ en onbeheersbaar wordt beschouwd als het weer of een natuurramp, verlies je pas écht de controle: gelatenheid en onverschilligheid is het resultaat en er gebeurt niks om verbeteringen aan te brengen.

 

En wat zegt wetenschapper Philip Zimbardo nu, veertig jaar later?

“Weet je: de laatste tijd kijk ik liever naar het goede in de mens.”

 

Kijk aan, fijn voor de mensheid.

Want ik vond het toch tamelijk bedenkelijk dat een Amerikaanse wetenschapper (in een sombere bui?) een experiment bedacht met zo’n grote impact op de persoonlijke levens van de betrokkenen en het mensbeeld van anderen.

Op zijn initiatief werden ‘gewone’ mensen -studenten- als ratjes in een laboratoriumsituatie geplaatst.

Hoe vooringenomen was die man? Was het een open experiment of was het zijn bedoeling dat aangetoond werd dat het onder bepaalde uitzonderlijke omstandigheden goed mis kan lopen tussen mensen?

Eh…ik weet niet hoe het met u zit, maar dat laatste wist ik al.

 

Dat het experiment vroegtijdig gestopt werd omdat het volledig uit de hand liep -oh oh, zie je wel, wat kunnen mensen toch slecht zijn- daarvan krijgt nog steeds ‘de mens’ de schuld.

En niet Zimbardo.

Misschien had de man wel een heel slecht experiment bedacht.

Dat denk ik namelijk.

 

Want in een echte gevangenis werken geen verklede studenten, maar ervaren mensen van allerlei leeftijden. En daar zitten gevangenen van alle leeftijden met een persoonlijke geschiedenis die heel wat triester is dan die van een verkleed studentje. De ‘bijzondere omstandigheden’ zijn slecht gekozen.

Kijk dan eens naar échte bijzondere omstandigheden: rampen, gijzelingen, terroristische aanslagen. En kijk wat er boven komt aan goede en slechte kwaliteiten.

 

Ik stel trouwens een ander experiment voor, een reallife-experiment, zonder verkleedpartijtjes.

Een groot aantal mensen, verdeeld over zoveel mogelijk sectoren in de samenleving, gaan in hun dagelijks leven, privé en openbaar, geduldig en vriendelijk met anderen om.

Twee dingen worden gemeten na afloop: de mate van persoonlijk welbevinden van de proefpersonen én het aantal conflicten dat op verbaal en fysiek geweld uit loopt. En dat vergelijken we dan met de situatie vóór het experiment.

 

Ik ben benieuwd.

 

 

 

 

Tegen de zon in kijken

Tegen de zon in kijken

Tegen de zon in kijken (column uit 2015)

Ongeveer tien jaar was ik, toen ik mijn jongere broer en zus in dienst nam om met mij samen een tijdschrift op te starten.

We begonnen met het ontwerpen en maken van de cover -een grillig mozaiek, dat we met vetkrijt inkleurden.

De kaft was glanzend, zij het wat kreukelig, want het lukte niet goed om de opengeknipte plastic boterhamzakjes strak om het papier te spannen.

Van de inhoud herinner ik mij niets, misschien was die er wel niet en is het allemaal bij het kaftje gebleven.

Niettemin was de naam van deze glossy: TALENT.

 

Afgelopen week kreeg de Volkskrant te maken met iets minder onschuldig jeugdig enthousiasme: een twintigjarige stagiaire had zich in zijn tomeloze ambitie ongestoord kunnen bezondigen aan plagiaat en fictie. Niemand had hem er tijdig op gewezen dat van journalisten eigen onderzoek, bronvermelding en non-fictie verwacht worden.

 

De excuses van de Volkskrant waren voorbeeldig en oprecht. In de toekomst zal de krant veel alerter zijn natuurlijk.

Maar alerter waarop?

Een jonge stagiaire met een tomeloze ambitie goed in de gaten houden? Natuurlijk, maar kijk ook eens naar de verlokkingen van de éigen ambities: talentscout te zijn.

 

‘Excelleren’ ligt menigeen in het onderwijs in de mond bestorven. Ook andere sectoren, hier bijvoorbeeld een krantenredactie, zijn er niet vies van.

Niet alleen worden jonge mensen zo verleid om té hoog boven zichzelf uit te stijgen, ook begeleiders laten zich gek maken.

Want hoe heerlijk is het niet om talent te mogen ‘ontdekken’, om er prat op te gaan zulke excellenten ‘in huis’ te hebben?

 

En zo ging het hier waarschijnlijk ook: de begeleidende redactieleden zagen een zeer gemotiveerde jongen die veel en goed schreef. Hartverwarmend en fijn voor de krant: we hebben een aanstormend talent in huis!

 

Kan gebeuren, maar begeleiders zouden er zich meer van bewust moeten zijn hoe zij als het ware de warmte van de zon opzoeken, uit eigen behoefte. En hoe zij dan wat minder alert en een beetje soezerig tegen het licht in zitten te kijken.

 

Hoe behaaglijk dat ook allemaal aanvoelt, je ziet niet altijd wat je zou moeten zien.

 

 

 

 

 

Tolereren

Tolereren (column uit 2015)

Vrijheid van meningsuiting is een groot goed.

Voor iedereen dan, hè?

 

Dus je mag bijvoorbeeld spreken van ‘een ongewenste vluchtelingentsunami die Nederland en het eigen volk gaat islamiseren en onze vrouwen verkrachten’, maar dan mag je daar ook wel wat tegenin brengen, toch?

 

Oké, komt ie.

“Vluchtelingen welkom, zaai geen haat en angst”, is de mening op het bordje van een meneer, als Wilders in Almere op bezoek komt.

 

“Vuile NSBer”, is de tegenmening van iemand. Mag je zeggen.

(Bij mij thuis heet zoiets schelden, trouwens. Maar goed.)

 

Deze dan, nóg een bordje met een mening:

“Vluchtelingen welkom, gedachtegoed van PVV + Wilders niet”.

 

“Ik hoop dat u verkracht wordt door een islamiet”, klinkt de mening aan het adres van de vrouw met het bordje.

 

Dat eerste vond ik schelden, maar voor dit laatste heb ik geen woorden. Ben er stil van.

Dus ga ik maar mediteren, moet je tóch stil voor wezen.

 

Kan ik oefenen in geduld, om een tolerant mens te blijven.

En niet bang te worden van het eigen volk.

Omdat je het waard bent

Omdat je het waard bent

Omdat je het waard bent (column uit 2015)

Ter gelegenheid van onze aanstaande verhuizing naar een kleinere woning gaat mij zo ongeveer mijn hele leven door de handen: mee of weg ermee?

 

Deze zware klus wordt niet lichter als je dan óók nog eens over het leven als zodanig gaat piekeren.

Het gaat vanzelf, door de stress denk ik.

Dan krijg ik af en toe stemmetjes in mijn hoofd. (Verder gaat het goed hoor.)

 

Eén stemmetje -een reclamezinnetje- dat zich regelmatig laat horen is: “omdat je het waard bent”.

Even met beeld en geluid: zo’n mooie Amerikaanse mevrouw met een geleende Nederlandse stem die met een laag, zacht, bijna zwoel timbre: “hoemdat je het whaaaarrrd bent” zegt.

Heb je ‘m?

 

Ik vind reclame een leuk verschijnsel in onze samenleving.

Dat zal niet helemaal politiek correct zijn volgens sommigen: fundamenteel anti-kapitalisten bijvoorbeeld houden er niet zo van.

Maar het plezier heeft te maken met twee van mijn hobby’s: communicatie en psychologie.

 

Mijn grote duim zorgt ervoor dat ik uit reclame van alles af ga lezen.

Kijk, het i s natuurlijk gewoon reclame voor haarverf. Die je dan heel erg verdiend hebt.

Maar waarom vindt iemand van de kleurshampoofabriek dat ik moet worden aangesproken op wat ik voor mezelf óver zou moeten hebben?

 

En nu gaat mijn grote duim werken: “want eigenlijk ben jij (ik dus) veel te streng en sober voor jezelf gebleven bij al die overdaad in supermarkten en drogisterijen, wat heel mooi van je is hoor, maar niet gezond!”

Mikt deze reclame op een bij mij latent voortwoekerend calvinisme? Dat ik wel iets koop, maar dat af en toe het schuldgevoel toeslaat: of het niet een beetje te veel is allemaal? Als ik met d i e bril op door mijn huis loop zie ik errug veel dingen die ik voor mezelf over had…

Nou heb ik het genoegen een reclamedame te kennen en haar liet ik een eerdere versie van deze column lezen. Zij stuurde mij, heel aardig, een paar links en wat blijkt? De eerste boodschap voor deze haarkleuring luidde “omdat IK het waard ben” en werd gemaakt in 1973 door de drieëntwintigjarige reclamedame Ilon Specht.

Die had helemaal genoeg van de rol van vrouwen in de reclame en van de mannenstem die vertelde wat HIJ mooi vond aan bijvoorbeeld vrouwenkapsels.

Toen ik het begin van dit filmpje zag snapte ik dat helemaal.

In de loop der tijden (ca. 2005) is de boodschap veranderd in “omdat JIJ het waard bent” en eind 2009 in “omdat WIJ het waard zijn”.

Mijn stemmetje is dus van 2015. En oorspronkelijk meer feministisch dan anti-calvinistisch bedoeld. De tijden zijn natuurlijk wel veranderd, ook wat betreft feministische gedachten.

Bij mij in ieder geval wel: je kan je haar ook gewoon in de kleur laten die het heeft, toch? En in het algemeen een beetje consuminderen, dames en heren?

 

Ik ga maar weer eens door met opruimen.

En als ik het stemmetje weer hoor dan ga ik heel erg genieten van de rust en loutering die opruimen en eenvoud geven.

 

Omdat ik het waard ben. Ik dus, hè.

 

 

Beschavingen

Beschavingen

Beschavingen (column uit 2015)

Het vluchtelingenprobleem zie ik niet alleen als een probleem vanwege het grote aantal onbekenden dat nu mijn vertrouwde omgeving binnenkomt.

Ik weet, als lid van een Europese samenleving, eerlijk gezegd niet zo goed hoe daarmee om te gaan. Die onzekerheid is het probleem voor mij en ik heb het vermoeden dat ik niet de enige ben.

‘Ben ik wel veilig? Kan mijn land dit wel bolwerken? Zitten er griezels van IS tussen die hier de boel gaan overnemen?’ Het voelt allemaal niet zo fijn.

Maar ik vertik het om te doen wat sommige anderen doen. ‘Ik bang? Onzeker? Ik gebrek aan zelfvertrouwen? Weg ermee! Die nieuwkomers, díe zijn niet te vertrouwen. Weg ermee!’

Sommige mensen krikken zelfvertrouwen en zelfbeeld nog verder op door ‘onze westerse samenleving’ beschaafder te noemen dan die waar vluchtelingen  doorgaans vandaan komen: Afrika, het Midden-Oosten, Azië.

Ik kan dat wel navoelen, maar ben het er niet helemaal mee eens. Europa, als westerse samenleving, acht zichzelf beter georganiseerd, rechtvaardiger, vredelievender en minder gewelddadig dan de samenlevingen waar de vluchtelingen vandaan komen. Europa is beschaafd dus.

Klopt dat zelfbeeld? Ik hoop het… Maar hoe zit dat dan bij onze bondgenoot in de westerse beschaving, de Verenigde Staten? Om ons te beschermen tegen ‘barbaarse terroristen’ uit het Midden-Oosten is daar bijvoorbeeld in 2002 Gevangenenkamp Guantanamo Bay ingericht.

In een vertrouwelijk rapport dat uitkwam in 2004 schreef Het Rode Kruis dat “de constructie van een dergelijk systeem, dat het verkrijgen van informatie als gesteld doel heeft, niet anders kan worden gezien als een vooropgezet systeem van slechte, ongebruikelijke en minderwaardige behandeling en een vorm van marteling.”

Het enige beschaafde hier is de nette formulering door het Rode Kruis. Want het regime in Guantanamo Bay klinkt mij met de beste wil van de wereld níet beschaafd in de oren: verdachten van terrorisme zonder vorm van proces gevangen houden en hen martelen om bekentenissen los te krijgen. Als ik als Europeaan zou moeten kiezen: methode IS of methode VS? Of wel: met geweld bekeren of met geweld ondervragen? Dan weet ik het wel: geen van beiden.

Het is mij er niet om te doen angstgevoelens voor IS te relativeren of die voor de VS aan te wakkeren. Ook wil ik geen schuldgevoelens over de onvolkomenheden van de westerse samenleving opwekken. Maar als we nuchter zouden erkennen dat onze samenleving lang niet zo rechtvaardig is als we wel zouden willen en als we onszelf dat eigen falen vergeven, maar er wel wat aan doen, kunnen we meer betekenen voor onszelf en mensen uit andere culturen. Niemand heeft iets aan een opgeblazen westers ego, aan westerse arrogantie. En net zo min heeft iemand iets aan westerse schuldbewuste zelfvernedering en een laag mensbeeld.

Ik bepleit een realistisch kritische houding, begrip, mildheid en daadkracht, niet alleen ten opzichte van vluchtelingen, maar ook en vooral ten opzichte van onszelf. Dat zorgt, als wij onze waarden en normen willen beschermen, voor gepaste bescheidenheid en daadkracht tegelijk.

Wel zo beschaafd.

Rutschremmer

Rutschremmer (column uit 2015)

Wegens verhuizing gaan we onze vijf en dertig jaar oude badkamer verlaten.

Er bevindt zich daarin een groen bad met bleke vlekken: het bewijs dat schoonmaakazijn niet de beste vriend van kunststof is.

 

De douchebak, ooit ook groen, laat zien dat andere schoonmaakmiddelen eveneens niks beters te bieden hebben dan verbeten agressie.

De wasbak daarentegen is van keramiek en glanst als vanouds.

Maar wel groen dus en bovendien een maandagochtendmodelletje -dat wil zeggen ontworpen na een zwaar weekend. Naast de kraan loopt de vorm aan beide zijden met een nauwelijks waarneembare glooiing af, zodat binnen enkele seconden het gespatte water op de grond lekt.

 

Rest nog even de tegeltjes te beschrijven. Onze keuze was destijds: gebroken wit. Om saaiheid en gevoelens van verveling tijdens het baden tegen te gaan, lieten wij in alle hoeken plantjes groeien. Keramisch dan: op de tegeltjes is klimop meegebakken.

In prima staat nog, maar iets doet mij vermoeden dat wij de laatste gebruikers van dit retro badgebeuren zullen zijn.

Zonde.

 

De badkamer in ons nieuwe huis is iets jonger, ook retro, met een modern toefje ouderenzorg van later datum. Overal handgrepen waar ik eerlijk gezegd al aan toe ben, maar ik zit nog in de ontkennende fase dus die gaan eruit en de rest ook.

Ja ik hoor het: zonde!

Maar de doorslag wordt onverbiddelijk gegeven door de radiator. Die zit namelijk vlak naast de wc-pot en heeft zichtbaar geleden onder deze weinig benijdenswaardige positie.  Moet ik nog iets uitleggen, dames, heren ook?

 

Bij het uitzoeken van de nieuwe tegels heeft men mij verteld van de R9, oftewel Rutsch-remmer 9. Dan glijden normale mensen niet uit, maar ik ben niet normaal. Bovendien breken normale mensen niet altijd wat als ze vallen, ik daarentegen hoef bij wijze van spreken niet eens te vallen voor een botbreuk.

 

Van die nieuwe tegels die we eerst uitgezocht hadden heb ik dus één nacht niet geslapen. Ik was bang dat ik bij de eerste keer douchen zó ongelukkig zou uitglijden dat met één klap een aangepaste badkamer weer wél nodig zou zijn. Of helemáál geen badkamer meer.

 

Dus het worden tegeltjes R10. Zonder klimop.

Realisme

Realisme

Realisme (column uit 2015)

Ik verklap het maar meteen:

als opiniemakers zoals René Cuperus in de Volkskrant van 7 september 2015 hun bijdrage leveren aan het debat over deze onvolmaakte wereld en daarmee laten blijken hoe wanhopig somber ze het inzien, haak ik af. Al zeggen sommigen: hij schetst de harde realiteit.

 

Vervolgens ga ik op zoek naar mensen die mij inspireren, moed geven. Het zijn de mensen die er goed tegen kunnen dat ze met het etiketje naïef/idealistisch/niet-realistisch op hun jas lopen. Voor zover ze dat al weten, want het kan ook achter hun rug op de achterkant geplakt zijn: LOL! (Voor de niet-ingewijden: dit is internet slang. Het betekent laughing out loud. Keihard uitlachen dus.)

 

Toen enkele maanden geleden, ik meen óók in de Volkskrant, een foto verscheen van een ontbijttafel met daaraan gezeten een Fries echtpaar met hun uit naastenliefde in huis genomen vluchteling, was er op Twitter grote hilariteit over de hagelslag, de jam, de beschuitjes en natuurlijk het uiterlijk van deze christenen: LOL! Soms snap ik daarom dat ‘de provincie’ een pesthekel krijgt aan ‘de randstad’ met zijn slechte manieren: religie is achterlijk, liefdadigheid belachelijk en dat moet je allemaal hardop zeggen.

Maar nu ben ik zelf aan het generaliseren, pardon. Generaliseren is een besmettelijke ziekte: als veel mensen het doen is de verleiding groot om het óók te gaan doen. En dan zou ik nu zeggen ‘kijk, dát is nou Nederland: vluchtelingen vragen om hulp en dan gaan we mensen uitlachen die iets goeds proberen te doen.’ Maar -realist die ik ben- ik weet dat niet iedereen zo is.

Nu de ellende als gevolg van oorlogen en armoede in de wereld deze kant op komt, raken veel mensen van streek, ik ook. En ik ben me ervan bewust dat ik op dit moment hevig worstel met de grenzen van nuchterheid en emotie.

 

Maar om nou in een verlammende somberheid weg te kwijnen en zo apathisch te worden dat ik niks meer kan doen, nee. Ik luister wel naar de pessimistische realisten hoor, uit beleefdheid.  Maar ik trek me op aan andere realisten, die de kracht van het woord gebruiken om te inspireren en te motiveren. Zoals bijvoorbeeld opiniemaker Bert Wagendorp, die van mening is dat de pessimisten ‘de drive van vluchtelingen om er iets van te maken onderschatten’.

 

Sombermensen, het spijt me, ik heb niks aan jullie. Dat is voor mij de harde realiteit.

 

 

 

Op aarde

Op aarde

Op aarde (column uit 2015)

Ik duw het voorwiel in één van de standaards, mijn fiets is de enige. Een paar meter verder, op een bankje in de zon, zitten drie jonge meiden voor het rouwcentrum. De ernstige gezichten passen niet helemaal bij hun outfit, die weliswaar gepast zwart, maar ook best sexy is.

 

Mijn fantasie staat altijd standby en springt aan: ze hebben misschien een leeftijdgenoot begraven.

Waarom denk ik dat eigenlijk? Is het het zwart -de kleur van het laatste afscheid- tegen die frisse jonge huid, een nadrukkelijke perspectief op vruchtbaarheid en voortzetting van het leven? Of is het mijn verdrietige ervaring dat de toekomst voor sommige jonge mensen abrupt van tafel wordt geveegd, net zo onverbiddelijk als voor mensen die hun toekomst tot en met het laatste restje geconsumeerd hebben?

 

Op de plaats waar mijn zus en ik drie maanden geleden onze broer de auto met de urn van onze moeder zagen parkeren, staat nu een andere, en een lege draagbaar op wieltjes. Bij ons was toen een kruiwagen klaar gezet, maar de beheerder kon de bescheiden steen met urn gewoon in zijn handen dragen.

 

Ik pak de bloemen voor mijn moeder en loop naar haar urnentuintje. Niet helemaal rechtstreeks trouwens. Bij de verdeling van het erfelijk materiaal ten tijde van mijn conceptie won mijn vader waar het ging om oriëntatievermogen. En dus loop ik vaak verkeerd en zelden goed.

 

Mijn moeder staat, nu ze deze aarde verlaten heeft, met haar urn boven aarde. Toen ze hier nog was verkoos ze het om later ’toch maar gecremeerd’ en niet begraven te worden. ‘Als je hoort van die troep in zo’n kist…’ Van een eigen plekje zag ze toch maar niet af, ‘maar ik wil niet in zo’n muur’. Dus het werd een tuintje.

De lange rode roos die ik er tijdens de bijzetting neerzette is nu onherkenbaar als bloem, maar als ik hem uit de vaas pak, blijken de stekels van de steel nog goed te werken. Het heeft deze mooie zomer ook overtuigend geregend. Ik neem me voor om, behalve handschoenen, de volgende keer ook een stoffer mee te nemen om de opgespatte zanderige aarde rond de urn op de gedenkplaat weg te vegen. Boven aarde is boven aarde, toch?

 

Als ik weer bij mijn fiets kom, kijk ik hoe ver de nazit is. Ik zie wat ouderen en een klein meisje. De meeste mensen zijn al weg of staan op het punt om te vertrekken.

Daardoor voel ik me ietsje geruster in mijn ongemak: wanneer ik nú met mijn rode blouse en spijkerbroek even van de sanitaire voorzieningen gebruik ga maken, val ik wel op, maar voor minder mensen.

 

Er zijn daar meer dames voor een snelle visite en ik herken in hun doen en laten die merkwaardige opluchting die zich meester maakt van mensen na het officiële afscheid van hun doden.

 

Er wordt weer hard gepraat, de klus is geklaard, het leven gaat door. De volgende stap is samenkomen en consumeren op een levendige plek op deze mooie aarde.

 

“Op naar de Kagerplassen!”, hoor ik een vrouw zeggen. Dat bedoel ik.

 

Als ik naar huis fiets besluit ik dat het een afscheid was van iemand die een lang leven heeft mogen hebben, zoals mijn moeder.

 

 

Media

Media (column uit 2015)

De vakantie is voorbij, komkommertijd ook.

Jammer: op tv geen Zomergasten meer, geen praatprogramma’s waar de tijd wordt genomen voor gesprekken, los van de waan van de dag.

 

Het politieke reces is namelijk ook voorbij.

In de talkshows en nieuwsrubrieken zien we straks weer de spelers flitsen en blitsen. Of verkreukeld worden.

Format? “Politieke gast, je krijgt tien minuten!” (Inclusief twintig onderbrekingen door de interviewer.)

 

Er valt natuurlijk een hoop kritiek te leveren op politici. Naast de noodzakelijke ambitie zijn ijdelheid en pretenties hen niet vreemd. Maar omdat de dames en heren kritische journalisten daar ook geen gebrek aan lijken te hebben, moet ik naar een spel om het spel kijken. Een soort Wordfeud ( =woordvendetta). En niet voor de lol, in ieder geval niet voor de mijne.

 

Sommige ‘anchors’ lijken een roeping te hebben, een beetje als Jomanda -het spirituele medium uit Tiel. Deze geroepenen uit Hilversum zien zichzelf als ontmaskeraars van het Haagse wereldje. Alsof het daar louter leugenaars en bedriegers zijn.

Zo kon het bijvoorbeeld gebeuren dat Twan Huys in College Tour beleefder was tegen crimineel Willem Holleeder dan tegen politicus Diederik Samsom.

 

Dat de kijkcijfers stijgen naarmate de uitzending spannender wordt -d.w.z. de politicus wordt zó vaak in de rede gevallen dat hij daarna rijp is voor stottertherapie- is niet de bedoeling natuurlijk. Dat is slechts een aangename bijkomstigheid.

 

Biologie kent ook media, lees ik op Wikiweetalles. Daar zijn het voedingsbodems ten behoeve van een bacteriecultuur: een lauw stukje kipfilet met salmonella, bijvoorbeeld.  Word je doodziek van.

 

De relatie media en politici wordt ook wel eens een moeizaam huwelijk genoemd: ze kunnen niet zonder en niet met elkaar.

 

Ik hoop tóch dat het uitgaat tussen die twee. Word er doodziek van.