Vaardigheden

Vaardigheden

‘doolhof-illusie’ door DRIC, via pixabay

‘Gaan we zó?’, vraag ik haar, want ik weet het niet.

Een enthousiast ja is het antwoord. Mijn lief, haar opa, had mij de kortste weg gewezen vanaf de speeltuin naar het huisje in het Waterland, waar ze nu even woont omdat haar Amsterdamse huis verbouwd wordt. Opa en oma passen op haar en haar broer, omdat papa en mama er in het weekend tóch maar even zelf een plafonnetje uit zijn gaan slopen.

Dat laatste lijkt een heel werk, maar ergens de weg vinden valt ook niet mee.

Mijn kleindochter gaf met haar ja aan geen bezwaar te hebben tegen een leuke omweg, blijkt nu. Die had nog langer  geduurd als ze niet op tijd had ingegrepen. ‘Het is daar, we moeten nu dáárheen’, zegt ze terloops, terwijl we het over iets heel anders hebben: zwemvaardigheden, óók belangrijk.

Die waren ter sprake gekomen op een van de talrijke bruggetjes. Ze begon er zelf over. Dat je niet in het water moet vallen en zo. Ik babbel met haar mee over zwemdiploma’s en dat het dan alsnog niet aan te raden is om in het water te vallen, zeker niet in de winter. Zij heeft bovendien nog geen zwemdiploma.

‘Maar ik kan wéw zwemmen!’ (Haar voortanden overleefden het niet toen ze op een stoeltje ging staan zodat ze ergens wéw bij kon.) ‘Als papa mij woswaat kan ik zwemmen!’ Het profijt van fel oranje hulpmiddelen rekent ze bij deze stellige bewering even niet mee, vermoed ik zo. En ik houd haar handje onwillekeurig iets steviger vast.

Ze heeft voor de ontwikkeling van haar vaardigheden en talenten nog alle tijd van de wereld. En een ferme voorsprong op haar grootmoeder: ik kan weliswaar zwemmen, maar aan land verdwaal ik steevast. Dat ik mijn hele leven al liefdevol wordt gegidst door jong en oud is fijn, maar ook een beetje confronterend. Deze gids moet bijvoorbeeld nog vier jaar worden.

Maar met dat zwemmen heb ík gelijk.

 

 

 

 

Cruciaal

Cruciaal

Restaurant Mata Hari, Amsterdam

Toen ik jong was werden mijn woorden en daden nogal eens gefrustreerd door het krampachtig vermijden van partijdigheid. Dat hoorde toen zo, misschien nóg wel, maar ik durf inmiddels onbevangen partijdig te zijn, uit volle overtuiging.

Als je in de penarie zit, is er toch niks mooiers dan dat jouw vrienden en familie het voor je opnemen? Kom jij er maar eens om, zeg ik dan in gedachten tegen de moralisten.

Vanochtend zag ik in de krant een foto van een gezellig restaurant op de laatste avond vóór de sluiting van  vier weken. De gastvrijheid spatte ervan af en de tranen sprongen me in de ogen. Empathie met de klanten, ja, maar mijn hart deed vooral pijn vanwege mijn horecafamilie. Wéér gaat het zwaar worden, maar de pijn zit hem er vooral in dat, in het puriteinse deel van de publieke opinie, de horeca nogal eens gezien wordt als een volstrekt overbodige sector waar mensen met teveel geld, geld verdienen aan mensen met teveel geld.

Terwijl het de sector is waar studenten hun kostje verdienen om te kunnen studeren. En waar koks en bedrijfsleiders gezinnen hebben waar gewoon brood op de plank moet komen. Dat geldt ook voor de eigenaren, die bovendien als werkgever de verantwoordelijkheid hebben hun bedrijf voor hun personeel in leven te houden.

Verderop in de krant kwam ik bij diezelfde verantwoordelijkheden -en de tranen- van Claudia de Breij, van wie haar première gepland was op de eerste dag van een gesloten Carré. Ja, oké, dertig bezoekers zijn toegestaan, zie je het voor je? Dat horeca en cultuur hun best doen het uitgaanspubliek even de alledaagse en niet-alledaagse zorgen te laten vergeten, wil nog niet zeggen dat het zorgeloze bedrijfstakken zijn.

Het kan allemaal wel wat soberder, ik ben de laatste die dat zal ontkennen. Maar bedrijfstakken naar de gallemiezen zien gaan zonder een traan te laten, alleen maar vanwege het cliché dat al die luxe niet cruciaal is, nee.

Ik weet niet wat de overwegingen binnen het OMT waren om al één dag nadat Meester Rutte zo streng had gesproken, met een verzachtend voorstel voor het horecabeleid te komen. De zwabberkoers daargelaten, ben ik het er mee eens om hier op de schreden terug te keren.

Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald, om ook maar eens een cliché van stal te halen. En ja, ik ben partijdig en neem het voor mijn horeca- en cultuurfamilie en alle horeca- en cultuurfamilies op.

Kom er maar eens om.

Wrokdown

Wrokdown

J.Garget via Pixabay

Lang, lang geleden -wij spreken nu over de maand januari van het Jaar des Heeren 2020- behoorde ik nog tot het exclusieve groepje van 17 miljoen premiers van het Koninkrijk der Nederlanden. Ik was beslist graag in zijn schoenen gestapt, had hem op zijn neoliberale sokken naar huis gestuurd en was met mijn sociaaldemocratische visie het land gaan besturen. Daarbij zou ik alle deuren en vensters eens flink tegen elkaar hebben opengezet, zodat Europa ook weer een kans kreeg om aan te waaien.

Maar begin maart ben ik vol overtuiging opgestapt als beoogd premier.

Het enige wat makkelijk is in crisistijd, is fouten maken en ik zou er al zoekend en onderzoekend veel meer gemaakt hebben dan Rutte, van Dissel en het OMT.

De trend werd toen om je aan te sluiten bij de 17 miljoen virologen, maar die hebben het zonder mij moeten doen.

De lockdown heeft eerlijk gezegd niet het beste in mij wakker geschud: ik kreeg de zenuwen van die verstarde wereld in onnatuurlijke pose en ik was bloedchagrijnig.

Zoals het nu is, kun je het geen lockdown meer noemen, maar de wrok blijft.

En ik ben niet de enige, alleen dat uit zich bij sommigen anders. Je kon er op wachten natuurlijk, maar er verscheen een tijdje terug dus opeens een Engel die de jezus ging lopen uithangen. Eerst met Viruswaanzin, totdat  hij bedacht dat dat een veel te nauwkeurige omschrijving was van Zijn Woord. De stap van  waanzin naar waarheid was snel gemaakt en de beweging is een doorslaand succes bij minigroepjes die in het pre-coronatijdperk al precies wisten hoe de niet-gevaccineerde hazen op onze platte aarde eigenlijk liepen: geknecht door onzinregeltjes van hogerhand.

Ik laat ze maar.

Eigenlijk zou deze column over mondkapjes gaan en dat daar alles al over gezegd was, op één ding na: dat niemand gezegd had dat ze mij onwijs goed staan. En dan zou er een uitvoerig verhaal gevolgd zijn over waarom ze mij zo onwijs goed staan. Maar mijn jongste dochter zei laatst dat ze mij onwijs goed stonden, dus daarmee is nu écht alles wat er toe doet over mondkapjes gezegd.

En mijn kriebeligheid begint ook minder te worden, dus misschien zal mijn volgende column nou eens niet over dat *u*virus gaan.

 

 

 

 

In één keer goed?

In één keer goed?

Het is al even geleden. Twee weken. Lijkt langer. Boosdoener? Daarover straks.

Terwijl ik dus lang geleden op mijn sportclubje probeerde mijn nóg oudere dag dan de huidige uit te stellen, ving ik tussen de jong-blijf-muziekjes een kort nieuwsbericht op. Letterlijk weet ik het niet meer, maar het kwam erop neer dat uit een peiling bleek dat personeelswervingen tamelijk eentonig van aard zijn.

Het lijkt of er al jaren altijd en overal behoefte is aan energieke, dynamische, creatieve en vooral flexibele krachten om het team aan te vullen. Ik denk dan: als dat al jaren zo wordt geformuleerd en er zitten nog steeds geen energieke, dynamische, creatieve en flexibele krachten, wie zitten er dan wel? Slaperige mompelaars die verstrooid om zich heen zitten te kijken of er iemand komt uitleggen wat ze hier in hemelsnaam doen of horen te doen?

Of zouden de energieken er juist wél zitten en is elke organisatie een onverzadigbare ADHD-organisatie, waar in plaats van zoetjes ritalin in de koffie gaat en in plaats van zakjes creamer coke in de neus? En dat dan personeelsleden zó snel opbranden dat er telkens nieuwe nodig zijn?

De vraag is: waar hebben we bij samenwerking behoefte aan? Aan mensen zoals wijzelf of mensen die ons kunnen aanvullen? Ik denk het laatste. Extraverte doeners die luisteren naar introverte denkers. En andersom, uiteraard. Dát is samenwerken. Er zit bij individuen natuurlijk van alles tussen die twee extremen in, maar het gaat even om de balans in de overlegcultuur.

De smeerolie van het proces dat we zo samen op gang moeten brengen is geduld. Want beide extremen kunnen last hebben van ongeduld, volksziekte nummer één. En van perfectionisme, een goede tweede. Het kan namelijk allemaal niet zo snel en vooral niet in één keer goed.

En nou dus even over die aandachtvreter, dat nare coronavirus. Bij de bestrijding ervan hebben we geduld nodig, met elkaar en met de overheid. Snel ingrijpen combineren met goed nadenken is gewoon hartstikke moeilijk. De communicatie daarover loopt ook al niet helemaal gesmeerd, maar hé, niet alles kan kennelijk in één keer goed.

Volgende keer beter, blijf gezond en laten we elkaar niet opvreten van de zenuwen.

 

 

 

 

Ziek en Zo

Ziek en Zo

Ylanite Koppens via Pixabay

Nee, het gaat goed met me, dank U.

Maar dit jaar is het ongenode gast Corona die het griepvaccinfeestje loopt te verzieken, zoals een paar jaar geleden een influenza A-virus mijn lief L. met griepprik en al probeerde uit te schakelen.

Ik herinner me de plotselinge quarantaine op de vierde dag van de ziekenhuisopname. Dochter N. en ik kwamen, na een kopje thee in het ziekenhuisrestaurant, terug op zijn kamer en keken naar een lege plek. Of een leeg bed, dat herinner ik me niet meer, maar het lijkt me duidelijk dat we een zekere patiënt misten. Het ergste scenario schoot even door mijn hoofd, maar zo snel -in een half uurtje van bijna beter naar einde verhaal- werkt Magere Hein meestal niet.

Lief lag nu apart, want eindelijk was er ontdekt wie die gemene indringer was en die wilden ze liever niet in een ziekenhuis verspreiden. En daar zaten we opeens met mondkapjes en handschoenen aan te zweten en te kijken naar het gezicht van een beduusde maar vrij ademende patiënt die al niet meer aan infuus of zuurstof lag. Hij leek, na al die zorgelijke dagen die achter ons lagen, nu verreweg de gezondste van ons drieën, zal ik maar zeggen.

De volgende dag mocht hij dan ook naar huis, hij nu wel met mondkapje en ik niet. Zo door het ziekenhuis lopen, de taxi in en thuis mocht het kapje af. Quarantaine voorbij.

Want wat is wijsheid? We zitten nu bijvoorbeeld in Duitsland en ik vraag me af of we over een paar dagen Nederland in mogen. Ik bedoel: deze bejaarde licht astmatische hart-/vaatpatiënt heeft zeg maar alle papieren, maar is niet van plan om dat virus te krijgen en al helemaal niet om er aan dood te gaan, maar wil wel naar huis. En als een Duitse minister een epidemie verwacht en dat komt uit, dan zullen er in Nederland al gauw geen melige grapjes meer worden gemaakt over van top tot teen beschermd een Chineesje pakken.

Verweggistan is nu dichtbij en zo zullen ze heel argwanend kijken naar hun naaste oosterburen en alle mensen die daar vandaan komen, gele kentekenplaat of niet.

We gaan het zien en als dit allemaal voorbij is, hebben we weer wat geleerd over het leven. We hebben veel maar niet alles onder controle en ziekte en dood horen er nog steeds gewoon bij.

 

 

 

 

Makkelijk scoren

Makkelijk scoren

(afb. Mohamed Hassan via Pixabay)

Dit wordt een zelfevaluatie, ik ben namelijk ook een soort van Ombudsvrouw voor de lezers.

Er zijn nogal wat creatieve zonden, een daarvan is makkelijk scoren. Dat deed ik in mijn vorige column.

Ik meende dat iedereen in mijn bubbel zich wel zó zou ergeren aan die praatjesmakers van Ongehoord.nl, dat alles wat je aan spot over die lui kunt bedenken in goede aarde valt. Als dat resulteert in een slappe column? Jammer, mijn probleem. Maar als ik mensen ermee tekortdoe, vind ik dat vervelend.

Het onzinverband tussen boze mannen en kaalheid viel niet helemaal goed en -zoals een lezer zei- was framend, generaliserend en niet leuk voor aardige mannen die toevallig kaal zijn. Betreffende lezer is overigens zelf geen kale man.

Generaliseren en framen is inderdaad fout, maar mag het wel als grap? Ik dacht eerst van wel, omdat iedereen in de column zou lezen dat kort, lang of geen haar er natuurlijk helemaal niet toe deed. De humor, dacht ik, zat hem juist in dat bizarre: mijn ‘theorie’ klopte niet.

Het stond niet in de column, maar nog zo’n ‘theorie’: pro-piet-activisten dragen allemaal spijkerbroeken en korte zwartlederen jasjes. Niet dus. Maar echt: ik had ooit zó’n afkeer van de agressie van een paar van die lui, dat ik ‘nooit meer!’ een spijkerbroek met een kort donker jasje wilde dragen. Wat jammer zou zijn, want ik had net zo’n leuk jasje van een van mijn dochters gekregen.

Een onzinnige associatie dus, waarom je -ik althans om mijzelf- kan lachen. Maar als zo’n onzinnige associatie ten koste gaat van aardige mannen die toevallig onomkeerbaar kaal zijn -en die wel eens vaker geassocieerd worden met agressie terwijl ze helemaal niet agressief zijn- dan is dat helemaal niet om te lachen.

‘Sorry, het was grappig bedoeld’ is dan geen goede reactie, ontdekte ik ook. Ik moest denken aan het zwartepietendebat, waarin ik wél meteen zie waar de schoen wringt. Daar worden -kort gezegd- twee argumenten tegenover elkaar gebruikt: ‘black face is voor mij als zwarte niet leuk, want ik ben geen olijke bediende die krompraat en kunstjes doet om iedereen aan het lachen te maken’ tegen ‘zo is het ook niet bedoeld, maar ik moet onherkenbaar zijn en dat zwart komt trouwens van de schoorsteen’. Het laatste argument is ontwijkend maar bovenal een niet erkennen van iemands gekrenktheid.

Geen erkenning geven en makkelijk scoren dragen bij aan verdere polarisatie en dat wil ik niet.

Nou ja, kijk eens aan! Daar is mijn goede voornemen voor 2020.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ongehoord

Ongehoord

(afb.PublicDomainPictures via Pixabay)

U hebt vast wel gehoord dat journalist Arnold Karskens omroep Ongehoord.nl gaat oprichten.

Want bij de gewone omroepen waar hij regelmatig komt, wordt hij niet gehoord.

Ikzelf had hem inderdaad niet gehoord, dus ik google dan zo iemand omdat ik wil weten hoe een ongehoord mens er uitziet.

Waarom zijn boze mannen altijd zo kaal?

Ongehoorde Karskens lijkt me trouwens niet iemand bij wie je net kan doen of je hem niet hoort. Dan zorgt hij wel dat je hem ziet, door je breeduit en zwijgend ieder zicht en vooral elke hoop op een goede afloop te ontnemen.

Hij is het type dat niemand laat voordringen bij zijn moeder of zijn kind, fijn, maar als hijzelf voordringt moet ik eerst even slikken voor ik daar wat van zeg.

Nou, ik zeg er dus niks van.

Het zijn de momenten waarop ik mild besluit dat sommige mensen nou eenmaal iets meer ruimte nodig hebben, kunnen ze niks aan doen.

Joost Niemöller is ook van Ongehoord.

Tja.

Hij heeft haar, dat wel.

Maar zijn beschreven levenspad op Wikipedia is geplaveid met woorden als controverse, opspraak en omstreden. Hij is overtuigd van statistisch aanwijsbare etnische verschillen in intelligentie. Als ik naar deze witte mannen kijk, zou hij met dat laatste wel eens een punt kunnen hebben.

Gelukkig doet Ybeltje ook mee. Ybeltje Berckmoes-Duijndam is een schattig meisje (met lang haar) en in 2015 was zij écht ongehoord, namelijk het onopvallendste Tweede Kamerlid.

Zó in de Volkskrant komen, dat wil je natuurlijk niet. Dus twee jaar later pleitte Ybel voor het sluiten van de grenzen voor jonge mannen uit het Midden-Oosten en Afrika.

Dat zei ze ten eerste omdat het hier anders Eurabia zou worden (haar woorden) en ten tweede omdat ze zo wél opviel (mijn woorden).

Een ander Ongehoord type is de Nederlandse regisseur, acteur, cabaretier, presentator en schrijver van toneelstukken, televisieseries en (kinder)boeken Haye van der Heyden. Je moet wel onder een steen liggen om over zo iemand niet gehoord te hebben en ik lig niet onder een steen, dus ik wist dat hij kaal was. Ietsje gezelliger dan Arnold, dus hij wordt chef Humor en Satire. Zou worden, inmiddels, want een podium bieden aan Holocaustontkenners, zoals hij vond dat moest kunnen,  vonden ze bij Ongehoord.nl iets té ongehoord en niet erg grappig.

Hij zal die naam Ongehoord wel hebben bedacht, want die is natuurlijk weer wél erg grappig bij zulke opvallend aanwezige mensen.

Al bedenk ik nu dat het natuurlijk ook een geuzennaam kan zijn, zoals Geen Stijl, die expres stijlloze dingen zeggen.

Zucht.

Dat wordt dus ongehoord lullige dingen Omroepen. En dan krijgen ze weerwoord en dan zeggen ze dat je ook niks mag zeggen in Nederland en dan zeg ik ja hoor, maar je mag ook wat terugzeggen in Nederland en dan zeggen zij zie je wel, je mag niks zeggen in Nederland want jij praat terug en dan zeg ik weer dat…, maar dan horen ze mij al niet meer, over ongehoord gesproken.

Ze willen gewoon niet gestoord worden daar.

Ongestoord.nl was beter geweest, Haye.

 

Terrasje pakken

Terrasje pakken

ill. van analogicus via pixabay

Ik schrijf graag, maar ik denk dat ik voor Teletekst werken saai zou vinden. Of je moet van het nieuws de humor inzien.

Neem nou het bericht over de auto die in Deventer op een terras inreed. In het eerste bericht stond dat de politie nog niet wist of het per ongeluk of expres was.

Hallo! De bestuurder was er vandoor gegaan!

Dat kan van de schrik zijn, oké.

 

Maar dit dan: de gebeurtenis had plaatsgevonden om 05.30 uur. Mijn eerste gedachte was om me te verplaatsen in de buren en dan lijkt me een ongeluk onwaarschijnlijk. Ikzelf zal gewelddadige plannen nooit tot uitvoer brengen, ben per slot geen boer, maar de fantasie is mij niet onbekend.

 

Want iets zegt mij dat de terrasbezoekers daar niet op fluistertoon onder het genot van een kruidentheetje (‘schenk nog eens bij, maar nu met meer munt graag’) genoeglijk aan het keuvelen waren over koetjes en kalfjes. Hoewel de laatsten, bedenk ik nu, voor sommigen een reden zijn gebleken om hun mening kracht bij te zetten middels een voertuig.

 

Terwijl ik dit schrijf, is er weer een tipje van de sluier opgelicht: het was expres. Na een ruzie. De politie roept de man op zich zo snel mogelijk te melden en dat zou ik als Teletekstredacteur dan wel weer humor vinden. (‘Sorry, ben even bezig, nu geen tijd om me te melden, kijk straks wel even, en anders wordt het morgen, oké?’)

De man heeft zich evenwel gemeld, blijkt nu ik dit schrijf.

Over de reden van de ruzie wil de politie niks zeggen maar ik wel, graag zelfs.

 

Komt ie: honger.

Ik heb me laten vertellen dat het gezellige uitgaansleven nogal eens afgerond wordt met het halen van een vette bek. Kebab leent zich daarvoor uitstekend, alleen je kan in zo’n zaak met andere eet- en drinkgewoontes waarschijnlijk geen biertje krijgen om het weg te spoelen. Dus neem je dat mee. Dat vindt de eigenaar niet goed. Dus maak je ruzie. Dat win je niet. Dus rij je in op het terras.

Terrasje pakken anno 2019.

Al met al ben ik benieuwd wat de werkelijke reden van het geweld is geweest.

Hoe dan ook: geen reden is goed genoeg.

Of je nou je auto of je trekker gebruikt.

 

 

 

 

Principes

Principes

Sociaaldemocraten kan ik nergens meer vinden, maar linksige mensen bestaan nog wel. Alleen, die hebben het lastig met elkaar, als ik Elma Drayer mag geloven. Zij ziet op links een kloof die de rekkelijken van de preciezen scheidt, vanwege het boerkaverbod.

Enerzijds ziet ze lui die vinden dat moslims het moeilijk hebben en dat je daarom de strenge opvattingen die ze hebben over de scheiding der seksen door de vingers moet zien. Daartegenover zet ze degenen voor wie die sekseongelijkheid op grond van de Koran uit den boze is. Die zijn blij met het boerkaverbod.

Zou niet weten waar ik bij hoor. Als ze al bestaan: die eersten zou ik onnozele goedpraters vinden, maar ze zijn tegen het boerkaverbod en ik ook, zij het om andere redenen. Met de laatsten ben ik het eens over gelijke rechten. En de Koran is natuurlijk ondergeschikt aan onze democratie. Maar zij high fiven na het boerkaverbod en ik niet.

Dus als je iemand in spagaat boven die kloof op links ziet staan: ben ik.

Boerka symbool van onderdrukking? Ja. Maar ik deel het standpunt van Amnesty: nu we in Nederland het dragen van die boerka verbieden is dat strikt genomen even betuttelend als de verplichting ervan in de moslimlanden.

Dat kun je principiële scherpslijperij noemen, maar hé, daar is Amnesty voor, toch?

In Nederland is de boerka trouwens misschien wel een symbool van iets anders.

Kijk, ik vind boerka’s idiote kleding en ik snap dat ze op de werkvloer ongewenst zijn. En ik denk dat de vrouwen die ze dragen stiekem best wel een beetje provoceren. Moslima’s zijn namelijk niet per definitie zielig. Ze hoeven niet in bescherming te worden genomen door onze overheid tegen zichzelf of tegen onderdrukking door andere overheden.

Praat met ze. Als ze zeggen dat het hun eigen keuze is en je gelooft dat niet, dan is dat voorbijgaan aan hun autonomie. Doen ze in moslimlanden ook.

Verontwaardigd je lidmaatschap van Amnesty opzeggen, waartoe Elma Drayer eerder opriep is natuurlijk een lekker principieel dingetje om te laten zien dat je aan de goede kant van de geschiedenis staat. Maar daarmee onttrek je wel je steun aan de organisatie die wereldwijd aan de bel trekt als de rechtspositie van mensen in het geding is, inclusief door de islam onderdrukte vrouwen. Wel een beetje jammer, toch?

Het gaat maar over die boerka, maar ik zit dus met dat Nederlandse verbod.

Dat er maar een paar vrouwen de dupe zijn, doet aan het principe niks af: Nederland morrelt aan de rechtspositie van vrouwen.

Vinden Amnesty en ik.

 

 

 

(illustraties Pixabay)

 

Voetbalvrouwen 2.0

Voetbalvrouwen 2.0

illustratie pixabay

‘Show, don’t tell’ is een bekende schrijfregel. Dus dan zou ik hier nou van alles moeten schrijven, waaruit U dan gaat opmaken ‘goh, zou ze een vrouwenvoetbalfan zijn?’

Nou, dat kan dan korter: ja, ze is.

Ik vind voetbal sowieso wel leuk, maar ik had nooit geduld.

Al die kwalificatiewedstrijden en voorrondes bezorgden mij een plaatsvervangende moedeloosheid (‘we moeten nog zo veel’), die de spelers nota bene zelf niet eens hebben.

 

Maar er is bij mij in de afgelopen twee jaar iets veranderd: voor vrouwenvoetbal heb ik wél geduld. En ik kan ook tegen hun verlies. Makkelijk praten natuurlijk, dat laatste, want deze Oranjeleeuwinnen verliezen niets, ze hebben twaalf interlands achter elkaar gewonnen. Maar ik denk dus dat ik ze ook bij verlies trouw zal blijven volgen.

Dat blijf ik nu per slot van rekening ook doen bij belabberde voetbalmomenten en verre van goede wedstrijden. Er zijn daar voldoende van om dat te kunnen bewijzen.

 

Ik ben dan wel Oranjefan, maar ik word net zo enthousiast van het voetbal van Japan, de VS, Engeland en van de keeper van Chili, die gewoon een wonder van alertheid is.

 

Het zit hem hierin: het rolmodel.

Dan denken we natuurlijk aan hoe een succesvol Oranje een voorbeeld is voor karnemelk drinkende meisjes die boterhammen met pindakaas eten en door weer en wind naar de training fietsen waar ze in de slagregen een stevig balletje trappen tussen grote jongens die verbijsterd kijken hoe zo’n dribbelende kleine opdonder de bal gewoon afpakt en niet gaat huilen als ze een schop of een duw krijgt.

 

Nou, denk voortaan ook maar aan mij: ik ga niet op voetballen, maar Oranje is voor een vrouw op leeftijd óók inspirerend. Om daar elf leuke gedreven stoere wijven het snot voor de ogen te zien voetballen geeft mij een verademend vrouwbeeld.

Niks ten nadele van de originele ‘Voetbalvrouwen’ hoor, maar zelf voetballende vrouwen vind ik veel leuker dan die fraai verzorgde trofeeën van voetballende mannen. (Zouden de mannelijke partners van de Oranjeleeuwinnen Voetbalmannen heten? En de vrouwelijke partners dan weer Voetbalvrouwen?)

 

Vergelijkingen maken met mannenvoetbal -ik deed het nou zelf ook even – is aan de orde van de dag. Vrouwenvoetbal is voor sommigen niet om aan te zien: te langzaam, te rommelig, te weinig techniek. Dat zal allemaal best, maar het leuke is dat je dat ook gewoon kan zeggen, zonder dat er op lange tenen wordt gestaan. Ze zeggen het zelf al, als het niet goed gaat.  ‘Sorry dat de eerste helft er niet zo goed uitzag, maar nu hadden we nog wel energie voor de tweede. En we hebben gewonnen’, was het nuchtere commentaar van eentje.

 

Wat ook leuk is dat bij dit elftal coach én spelers gelijkwaardig met de pers praten, waarbij het geloofwaardig overkomt als ze er de nadruk op leggen dat het een teamprestatie is, ondanks hun individuele succes.

Gezonde ego’s in een gezond team, met een gezonde coach die in een blessurepauze vlak voor het eind van de verlenging gewoon gaat plassen omdat ze heel nodig moet na al dat watergedrink in die bloedhitte.

 

Is dat bij mannenvoetbal zo anders dan? Ze kunnen langer hun plas ophouden, dat wel. Ik weet het verder niet, maar waarom valt voetbalplezier m/v me dan nu pas op? Alleen omdat daar mensen met een vergelijkbaar lijf als het mijne lopen?

 

Ik ben niet van het omgekeerde minderwaardigheidscomplex: ‘vrouwen zijn beter’.

Vrouwenvoetbal is nu nog gewoon anders. Het moet nog wat meer in de genen komen door een serieuze competitie (zoals in Engeland, Frankrijk en de VS) en ik verwacht dat ze beter gaan voetballen en de achterstand op mannen zullen inhalen.

Hoe het er in Japan of waar dan ook aan toe gaat, weet ik niet, maar ik hoop dat in ieder geval Oranje zo opgewekt en nuchter zal blijven als nu: ook als ze de finale van het WK niet winnen, hun teamgeest en vechtlust zijn goud waard.

Houwen zo.