Dissen

Dissen

Zeven vinkjes plus dissen

Het is natuurlijk tricky om te zeggen dat je blij bent dat je niet beroemd bent. Er staat altijd wel iemand klaar om uit te leggen dat jij dat stiekem juist heel graag wil. Maar ik ben dus blij, want nou word ik niet geïnterviewd in Volkskrant Magazine, de vrolijke weekendbijlage van mijn krant. Op grond van mijn lezerservaringen zou ik namelijk bang zijn om óók in de zeik gezet te worden door gevaarlijke vragen en stomme foto’s, alles overgoten met een knipoog, want het is uiteindelijk weekend, toch?

Maar goed, Joris Luyendijk schreef een nieuw boek, De zeven vinkjes, en daar wil hij aandacht voor en dat kreeg hij dit weekend met een interview. Snap ik, van beide partijen.

Het boek is een pijnlijke reis naar binnen over twee ongelukkige jaren in Londen bij de Guardian, inmiddels tien jaar geleden. Voor het eerst realiseert hij zich nu dat zijn zeven hoedanigheden (man, in Nederland geboren ouder(s), wit, hoogopgeleide en welgestelde ouder(s), vwo, universiteit en hetero) hem niet gingen helpen. Hij heeft zich namelijk niet leren handhaven, zoals mensen met een andere achtergrond of geslacht dat wél hebben moeten leren. En toch worden die, ondanks die krachtige kwaliteit, nog steeds niet benoemd in topfuncties, zegt Luyendijk. Dat is raar, vindt hij en daar ben ik het mee eens. Hij vertelt verder hoe het voelt als je gedist wordt. Voor de duidelijkheid: dissen is zogenaamd goedmoedig plagen, maar het ruikt indringend naar pesten en uitsluiten.

Je hoeft geen vervelend voormalig kostschooljongetje uit Engeland te zijn om iemand te dissen, laat de Volkskrant na het weekend op maandag zien. En je hoeft ook geen vinkje man te hebben. De dame van het interview gaf in het weekend de bal voor en de dame van de column schoot hem er maandag in. Ze hoefden het niet eens met elkaar af te spreken. Want zo gaat dat bij de dis-cultuur: het werkt op een onzichtbare radar. Voor wie de links niet kan openen: in het interview worden precies díe vragen gesteld over bekendheid, ijdelheid en inkomen waarop elk antwoord je kwetsbaar maakt. En de tijdens corona gewoon doorbetaalde columnist maakt daar vervolgens vaardig gebruik van door een nuchtere opmerking van Luyendijk over ontbrekende coronasteun naar haar hand te zetten. Lachen. Ze gaat niet dieper in op de inhoud van het boek, maar verschuilt zich achter een verwaand sarcasme. ‘Privilege? Duh, weet ik al mijn hele leven.’

Wij hadden het er hier thuis dus over of er niet nóg een vinkje nodig was om je in dit leven staande te houden. Ik heb er sowieso vijf (geen piemel, geen bul). Maar, zoals iemand n.a.v. mijn vorige blog over identiteiten opmerkte, ik heb een universitaire man. Ik ben destijds gewoon uit liefde getrouwd, maar in seksistisch denken is welgesteld trouwen inderdaad lucratief en ik reken hem voor deze keer goed. Zes dus. Meer dan menig ander mens, je hoort me niet klagen.

Maar.

Feit is dat zowel de universitaire man als ik er niet genoeg aan hadden om soepel door het leven te mogen gaan. We hebben eelt op onze ziel moeten kweken, net als Joris in Londen (en nu in Nederland). Want je komt zomaar iemand tegen die een beetje wil ‘sparren’, dissen, buitensluiten, pesten of zich anderszins met jou wil vermaken, al dan niet in groepsverband. Geslacht of kleur maken niet uit, het gebeurt in elke vinkjes-groep, ook onderling.

Het is de kunst om niet mee te gaan dissen en wél gevoelig te blijven. Mijn lief vindt mij overigens in bovenstaande kwestie té gevoelig…

D u n  laagje eelt toch maar. Moet maar genoeg zijn.

 

Cruciaal

Cruciaal

Restaurant Mata Hari, Amsterdam

Toen ik jong was werden mijn woorden en daden nogal eens gefrustreerd door het krampachtig vermijden van partijdigheid. Dat hoorde toen zo, misschien nóg wel, maar ik durf inmiddels onbevangen partijdig te zijn, uit volle overtuiging.

Als je in de penarie zit, is er toch niks mooiers dan dat jouw vrienden en familie het voor je opnemen? Kom jij er maar eens om, zeg ik dan in gedachten tegen de moralisten.

Vanochtend zag ik in de krant een foto van een gezellig restaurant op de laatste avond vóór de sluiting van  vier weken. De gastvrijheid spatte ervan af en de tranen sprongen me in de ogen. Empathie met de klanten, ja, maar mijn hart deed vooral pijn vanwege mijn horecafamilie. Wéér gaat het zwaar worden, maar de pijn zit hem er vooral in dat, in het puriteinse deel van de publieke opinie, de horeca nogal eens gezien wordt als een volstrekt overbodige sector waar mensen met teveel geld, geld verdienen aan mensen met teveel geld.

Terwijl het de sector is waar studenten hun kostje verdienen om te kunnen studeren. En waar koks en bedrijfsleiders gezinnen hebben waar gewoon brood op de plank moet komen. Dat geldt ook voor de eigenaren, die bovendien als werkgever de verantwoordelijkheid hebben hun bedrijf voor hun personeel in leven te houden.

Verderop in de krant kwam ik bij diezelfde verantwoordelijkheden -en de tranen- van Claudia de Breij, van wie haar première gepland was op de eerste dag van een gesloten Carré. Ja, oké, dertig bezoekers zijn toegestaan, zie je het voor je? Dat horeca en cultuur hun best doen het uitgaanspubliek even de alledaagse en niet-alledaagse zorgen te laten vergeten, wil nog niet zeggen dat het zorgeloze bedrijfstakken zijn.

Het kan allemaal wel wat soberder, ik ben de laatste die dat zal ontkennen. Maar bedrijfstakken naar de gallemiezen zien gaan zonder een traan te laten, alleen maar vanwege het cliché dat al die luxe niet cruciaal is, nee.

Ik weet niet wat de overwegingen binnen het OMT waren om al één dag nadat Meester Rutte zo streng had gesproken, met een verzachtend voorstel voor het horecabeleid te komen. De zwabberkoers daargelaten, ben ik het er mee eens om hier op de schreden terug te keren.

Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald, om ook maar eens een cliché van stal te halen. En ja, ik ben partijdig en neem het voor mijn horeca- en cultuurfamilie en alle horeca- en cultuurfamilies op.

Kom er maar eens om.